20 mei 2013

Oog in oog met Frans Hals


Frans Hals durfde conventies aan zijn laars te lappen en vernieuwde daardoor de schilderkunst. Bij leven geliefd om zijn portretten, regenten- en schuttersstukken, raakte hij gedurende de 18e eeuw wat in de vergetelheid. Pas in de 19e eeuw werd Hals opnieuw op waarde geschat en wel door de impressionisten. Grootheden als Manet en Monet kwamen Hals' werk bestuderen en ervan leren.

Lach
Ruw en snel
Prachtig, die 'ruwe' schildertechniek, die Hals als een van de eersten in de Noordelijke Nederlanden beheerste. Alle penseelstreken zijn apart te herkennen en zijn met snelheid op het doek gezet. Van dichtbij ziet het er misschien allemaal wat willekeurig uit, maar van een afstandje zie je dat iedere veeg raak is. Het geheel van een Hals is zoveel meer dan de som der delen. Gelaatsuitdrukkingen werden nog nooit zo treffend geschilderd. Een beweging spatte nog nooit zo van het doek. Zijn schilderijen zijn ware snapshots, echte momenten gevangen in een lijst.

Dat snelle komt helemaal tot uiting in werken die alla prima zijn geschilderd, nat-in-nat, dus zonder voorstudies, grondverf en zo meer. Sinds ongeveer een jaar weet men pas dat ook Frans Hals deze kunst beheerste, zoals bijvoorbeeld de Venetiaan Tintoretto. Schilderijen klaar terwijl u wacht. Je snapt niet dat iemand het kan.

Lachend en levendig
Hals was de meester van de lach. Te moeilijk voor de meesten en bovendien not done in portretten. De leermeester van Hals, Carel Mander, beschreef in zijn schilderhandboek uitgebreid alle uiterlijke kenmerken van de lach. Toch veranderde een lach onder het penseel van de meeste schilders op zijn best in een grimas. Maar niet bij Hals. Zijn 'ruwe' schilderen lijkt zich zelfs bij uitstek te lenen voor de lach, van een verlegen glimlach tot een schaterlach.

Karakter
Natuurlijk kon hij zich daarvoor uitleven in werken die voor de vrije verkoop waren bedoeld, vaak met volkse personages en het dagelijks leven als model. Maar daar bleef het niet bij. Ook betalende klanten voorzag hij in portret vaak van een lach en een beweging. Zijn portretten hebben daardoor karakter, het zijn geen wassen beelden in een museum. Zoals ook zijn regenten en schutters lijken te leven op het doek. Door de compositie voelt het zelfs alsof je hen op het moment van bekijken juist stoort in hun samenzijn. Een enkeling draait zich om, je haalt hem uit zijn gesprek of gedachte. Prachtig levendig.

Tentoonstelling
Daarin was Hals een vernieuwer, waarom impressionisten en latere kunstschilders hem terecht bewonderden en navolgden. In het Frans Hals Museum kun je nog t/m 28 juli de bijzondere tentoonstelling Frans Hals. Oog in oog met Rembrandt, Rubens en Titiaan zien. Werken van Hals hangen daar naast werken van voorgangers, tijdgenoten en volgelingen. Portretten van dezelfde personen maar geschilderd door een ander, werken met dezelfde of een andere techniek, hetzelfde onderwerp of dezelfde compositie. In zijn tijd kon alleen Rembrandt zich meten met Hals. Heel mooi om hun werken naast elkaar te kunnen zien.

Bovendien hangen er werken bij uit buitenlandse musea, die ik graag wilde zien. Met bovenaan de lijst zijn luitspeler, waarvoor je normaal gesproken naar het Louvre in Parijs moet. Dan is Haarlem een buitenkansje.

Luitspeler
Vergeet trouwens niet om het gratis tentoonstellingsgidsje en de audiogids mee te nemen. Je hebt dan driedubbel plezier van de tentoonstelling. Anna Tummers, conservator oude kunst van het museum, heeft hier als curator erg goed werk verricht. Een aanrader dus! En als lekkermakertje kun je alvast een paar filmpjes bekijken.

Over filmpjes gesproken: in het museum kun je ook de nieuwe presentatie Het fenomeen Hals bekijken. Zeker doen.

Ander kijkvoer
- Bezocht: Jheronimus Bosch Art Center
- Mijn digitale foto in het fysieke Carnegie Museum of Art

Afbeeldingen
- Lachende jongen, ca. 1625, Koninklijk Kabinet van Schilderijen Mauritshuis, Den Haag
- De luitspeler, ca. 1623, Musée du Louvre, Parijs (c) RMN Franck Raux
- Portret van Jaspar Schade, ca. 1645, National Gallery, Praag

6 mei 2013

Kiezen of transcriberen? Over de vraag hoeveel ontsluitingstijd je moet nemen


In de afgelopen tien blogposts heb ik verslag gedaan van het colloquium "Tools, People and History" dat op 25 en 26 april plaatsvond in Leuven. Aanleiding was het project Itinera Nova van het Stadsarchief Leuven waarin het archief van de Leuvense schepenbank digitaal toegankelijk gemaakt wordt.

Verslag
Op de eerste dag stonden de tools en people centraal. Vanwege het teveel aan auto's op de Vlaamse snelwegen moest ik de inleidende woorden van projectleider Inge Moris missen, maar daarna werden de tools nog uitgebreid toegelicht. Manfred Thaller gunde ons een blik achter de technische schermen van het transcriptieplatform en aansluitend demonstreerde André Streicher de nieuwe annotatietool. Tot slot plaatste Ben Brumfield het project in een internationale context, waarna het hoog tijd werd voor de people. Daarmee bleken vooral de vrijwilligers te worden bedoeld. Claire Dejaeger vertelde daarom over haar trotse ervaringen als vrijwilliger in Leuven en Jan d'Hondt, archivaris van Brugge, ging in op de vrijwilligersprojecten van het Brugse stadsarchief. Als klapstuk kwam Richard Millington aan het woord, die vooral veel praktische tips gaf voor het motiveren en gemotiveerd houden van vrijwilligers binnen online community's.

Op de tweede dag was dan de history aan de beurt. Marika Ceunen, Geertrui Van Synghel, Jelle Haemers, Julie De Groot en Inneke Baatsen gingen repectievelijk in op de inhoud en onderzoeksmogelijkheden van de schepenbankregisters van Leuven, 's-Hertogenbosch, Gent en twee keer Antwerpen. Goed om te horen hoe rijk deze bronnen zijn en hoe prachtig ze kunnen vertellen over het dagelijks leven in vroeger tijden. Maar ook leerzaam om te zien hoe een goede aansluiting bij het onderwijs door archiefinstellingen kan zorgen voor waardevolle onderzoeksprogramma's.

Klikken op alle namen van hierboven brengt je tot uitgebreide verslagen van de presentaties. Al met al een interessant colloquium, dat ook stemde tot verder nadenken over het toegankelijk maken, beschikbaar stellen en laten benutten van oudere archieven.

Wat ik vind
Zoals ze het in Leuven aanpakken, dat vind ik mooi. Zeker de nabijheid van een universiteit geeft prachtige mogelijkheden om het schepenbankarchief vanuit allerlei kanten te laten belichten en onderzoeken. Bij de ontsluiting is rekening gehouden met manieren waarop de bron zo goed mogelijk toegankelijk kan worden gemaakt, vooral met het oog op de specifieke doelgroep van (wetenschappelijke) onderzoekers. Ook de wijze waarop vrijwilligers worden ingezet verdient respect. Iedereen kan daarvan leren.

Wat ik betwijfel
Toch heb ik ook wel wat twijfels. Zo is er in het hele proces van ontsluiten van de bron wel erg veel moderatie en controle. Ik denk, dat met wat minder controle er meer snelheid in het ontsluiten is te bereiken, zonder de kwaliteit van die ontsluiting zogezegd in gevaar te brengen. Leuven zou zichzelf in mijn ogen tekort doen, als ze niet zou experimenteren daarmee. Ik denk in dit verband ook aan de Franse ervaringen met tagging, zoals eerder beschreven (zie het verslag over de annotatietool).

Die gecontroleerde en gemodereerde manier van werken, maar ook de gekozen vorm waarbinnen de vrijwilligerscommunity werkzaam is, heeft nu ook tot resultaat dat vrijwilligers vooral lokaal worden gevonden. En dat terwijl juist ook op (grote) afstand kennis en kunde aanwezig zal zijn, die helpen bij het toegankelijk krijgen van deze bron. Voor mensen van ver weg zijn dergelijke projecten immers een welkome kans om de band met hun moedergrond te verstevigen. Bovendien, omdat onderzoekers op afstand veelal afhankelijk zijn van digitale dienstverlening, zijn ze vaak extra gemotiveerd om hieraan hun bijdrage te leveren. Ter illustratie hiervan leren de ervaringen van het BHIC dat op zijn forums het meeste werk wordt verzet door juist een aantal mensen in het buitenland.

Wat ik overdenk
Naast deze complimenten en twijfels, zijn er ook punten waarop ik door de presentaties in Leuven, en door de gesprekken met een aantal collega's, aan het denken ben gezet. Het gaat dan vooral over de diepte van het ontsluiten. In Leuven worden volledige transcripties gemaakt die uiteindelijk volgens de regels van TEI (Text Encoding Intitiative) worden opgemaakt. Daarnaast zijn indexen (op bijvoorbeeld personen en plaatsen) en scans van de akten aanwezig. Een enorm rijke ontsluiting, die volledig zal aansluiten bij de specifieke doelgroep van wetenschappelijk onderzoekers.

Iedereen is blij met hoe dit project verloopt (houden zo dus!?) en lijkt zich op geen enkele manier te betreuren om (of te laten ontmoedigen door) het feit dat het nog héél lang duurt voordat het allemaal af is. Het gaat in totaal om 950.000 pagina's; veel daarvan bevatten meerdere akten en een aantal akten zal ook gerust meerdere pagina's beslaan. In totaal zijn er nu, een kleine vier jaar na de start van het project, zo'n 10.400 akten getranscribeerd. Op deze manier zijn er dus letterlijk en figuurlijk nog eeuwen werk te verzetten. En dat is dan nog maar één bron...

Op het BHIC werken we veel met indexen en samenvattingen van akten (waaronder veel schepenakten) en dat gaat een stuk sneller (onze werkwijze is ook veel minder gecontroleerd en gemodereerd). Bovendien is onze ervaring dat veel onderzoekers wel doorklikken naar de scan (die in veel gevallen is gekoppeld aan de samenvatting) maar dat bij het ontbreken daarvan ze ook vaak genoegen lijken te nemen met slechts de samenvatting.

Kiezen
Uiteindelijk gaat het om keuzes en die zijn in Leuven en Den Bosch verschillend gemaakt. Beide zijn prima, gericht op andere doelgroepen, gemaakt binnen een ander beleidskader en een andere planning. Ik vraag me echter af waar in deze keuzes een bepaald omslagpunt ligt, vanaf welk moment een nóg betere ontsluiting vooral extra werk met zich meebrengt, maar relatief weinig extra gemak? Of vanaf welk moment een klein beetje extra moeite voor het ontsluiten een relatief flinke meerwaarde voor de onderzoeker oplevert?

Met Ben Brumfield, die toevallig in hetzelfde hotel logeerde, heb ik daarover ook doorgepraat. Het maken van samenvattingen gaat misschien sneller, maar misschien ook weer minder sneller dan je zou denken; je moet immers toch de hele akte lezen. En bovendien héél goed begrijpen, om daar een goede samenvatting van te kunnen maken. Aan de andere kant, tijdens het transcriberen gaat veel tijd verloren aan het soms eindeloze gepuzzel op een enkele letter.

Bedacht ik me nog, dat ook nieuwe ontwikkelingen als open data en datavisualisatie extra eisen stellen aan je toegankelijkheid. Die ontwikkelingen zijn namelijk vooral gebaat bij rijke informatiebestanden; een datavisiualisatie op een magere index geeft weinig spannends als resultaat. En hoe beperkter je toegang, hoe minder er als open data te linken en te koppelen valt. Aan de andere kant, zowel open data als datavisualisatie worden pas echt interessant bij grote hoeveelheden materiaal... en dan is snelheid in ontsluiten wel een plus.

Kortom
Tja, kies je er dus voor om in rap tempo heel veel bronnen op een beperkte manier toegankelijk te krijgen? Of kies je ervoor om in een veel lager tempo een beperkt aantal bronnen toegankelijk te krijgen, maar dan wel op een uitgebreide manier? En waar ligt daarin de balans? Het betere is immers als zo vaak de vijand van het goede, zeker bij archivarissen.

Een aloude discussie, in een nieuw licht bekeken. Goed om bij stil te blijven staan. En keuzes in te maken. Mijn gevoel en verstand strijden nog wat met elkaar...

Aanbevolen leesvoer
- Waar ik blij van word
- De vraag is alleen: wanneer?
- Archiefontsluiting door nerd-sourcing

Afbeelding: een monsterslak valt een ridder aan (bron: Smithfield Decretals, British Library, Royal 10 E IV, f. 107). Via een blogpost over historici en slakken

4 mei 2013

Gezien: Van der Laan en Woe - Buutvrij


Het cabaretduo Van der Laan en Woe (Niels van der Laan en Jeroen Woe, voorheen Geen Familie) klinkt je als naam misschien niet meteen bekend in de oren, maar je kent ze vast wel. Ze maakten jaren deel uit van het radiocabaret van Spijkers met Koppen, deden in 2010 en 2012 mee aan het oudejaarscabaret van Erik van Muiswinkel en vrienden (de shows Gedoog, Hoop en Liefde en Het Eerlijke Verhaal) en zijn wekelijks te zien bij Paul de Leeuw in een satirische nieuwsquiz. Ook touren ze al enkele jaren samen langs de Nederlandse theaters. Voor hun programma Superlatief werden ze daarvoor in 2011 zelfs beloond met de Neerlands Hoop cabaretprijs voor meest vernieuwende, originele act.

Naast intelligente sketches zijn ze vooral bekend van hun knappe liedjes, waarvan het meest bekend misschien wel het Griekse bedankje is voor onze miljardensteun aan hen in tijden van economische nood. Maar luister vooral ook eens naar liedjes als Bedreiger, Pa Pa Pa Paardenvlees en Depression. Dat soort liedjes, maar dan minder gelinkt aan de directe actualiteit, zit er ook in hun nieuwe programma, getiteld Buutvrij, dat Wilma en ik gisteren gingen zien in Theater aan de Parade in 's-Hertogenbosch. Zoals het liedje over Social Media Stress, al bekend uit de show van Paul de Leeuw.

Bingo
Maar scherpe, soms bijna absurdistische sketches hadden toch wel de overhand. Alhoewel het begin wat stroef voelde, werd het programma naarmate het vorderde steeds sterker. Sketches en liedjes werden meer en meer met elkaar verweven tot een kluwen aan situaties waarin uiteindelijk alles goed zou moeten komen. Dat was ook het levensmotto van de Twentse boer met banjo, die niets liever wilde dan samen met zijn enige bokje te genieten van de rust, maar voortdurend door een eenzame postbode allerlei tv-spelletjes werd ingesmokkeld. Mooiste daarbij was de parodie op Boer Zoekt Vrouw ("Ach kom jong, die brief is van Eneco!")

Andere hoogtepunten waren de overactieve doch nietszeggende Twitter-deskundige, de onnozele politicus die aan een vragenlijst werd blootgesteld ("U moet kiezen!") om vervolgens met z'n antwoorden te worden geconfronteerd, de twee yuppen die in hun vrije tijd stoom afblazen door verkleed als baldadige Marokkanen (zie foto bovenaan) mensen op straat lastig te vallen, en de eenzame weduwnaar die als enige deelnemer aan de jaarlijkse 'Bingo voor Congo' meedoet de spelleider tot wanhoop drijft met zijn drang om tóch tot een volle kaart door te spelen, vervolgens om een 'foute bingo' roept en er daarom op staat een liedje te zingen. Wilma's favoriet was een melig telefoongesprek waarbij de gang van het gesprek bepaald werd door een mandje met voorwerpen, waarin alleen een mossel nog ontbrak. Kortom, het lijkt een warboel, maar het zit erg sterk geregisseerd in elkaar.

Balkon
Enig minpuntje was de gimmick om juist níet aan publieksparticipatie te zullen doen. Dat werkte de eerste paar keer goed, maar na korte tijd raakt publiek natuurlijk snel gewend aan het níet mee hoeven doen. Waardoor iemand van de techniek - op het balkon - op een gegeven moment toch iets mee moest roepen. Waarna de voorspelbare grappen van het duo en lachen van het publiek vielen. Dat had niet nodig geweest.

Maar goed, hadden wij op tijd geweest en hadden we daardoor niet als een van de enkelen op het balkon hoeven plaatsnemen, dan hadden we dit vast ook niet geweten. En was het gewoon een uitstekende show geweest, zonder minpuntje, waar we heerlijk om hebben kunnen lachen. Knappe voorstelling!

Napret
Online valt er trouwens volop te genieten van Van der Laan en Woe. Kijk bij de media op hun eigen website of HumorTV, maar dé bron voor filmpjes is natuurlijk het YouTube-kanaal van Geen Familie.

Aanbevolen kijkvoer
- Meer shows die ik zag
- Meer cabaret waar ik om moest lachen

3 mei 2013

De Antwerpse schepenregisters als bron voor het sociale weefsel te Antwerpen

De komende blogs doen verslag van het colloquium "Tools, People and History" dat op 25 en 26 april plaatsvond in Leuven. Aanleiding was het project Itinera Nova van het Stadsarchief Leuven waarin het archief van de Leuvense schepenbank digitaal toegankelijk gemaakt wordt.

Studentes Julie De Groot en Inneke Baatsen, beiden Centrum voor Stadsgeschiedenis van de Universiteit Antwerpen, deelden de resultaten van hun onderzoek in de Antwerpse schepenregisters. Dat onderzoek baseerden zij op een databank met gegevens van laat 15e-eeuwse schepenregisters, ingevoerd vanaf handgeschreven fiches die al in de jaren '70 op het stadsarchief aldaar waren vervaardigd. Samen met de resultaten van nog 13 andere papers is een boekpublicatie in voorbereiding, die een indruk geeft van de rijkheid van deze bron.

Julie De Groot
Weduwen
Julie deed onderzoek naar weduwen als bijzondere spelers op de Antwerpse vastgoedmarkt.

Alhoewel zij volgens het gewoonterecht juridisch handelingsonbekwaam werden geacht, tenzij bijgestaan door een voogd, blijkt de praktijk toch anders in elkaar te steken. En blijken zij in tijden van economische bloei actieve spelers te zijn geweest, die zelfstandig transacties betreffende onroerend goed voor de schepenen aanhangig maakten.

Inneke Baatsen
Wezen
Inneke richtte haar onderzoek op het voogdijschap over verweesde minderjarigen in de periode 1490-1493. Ook zij stuitte op verschillen tussen norm en praktijk, waarbij ze vooral de sociale relaties onderzocht tussen de wezen (meestal betrof het halfwezen, dus kinderen waarvan nog een van beide ouders in leven was) en de aangestelde voogden.

Alhoewel de norm de aanstelling van vier voogden was, deed men er in de praktijk in de helft van de gevallen met minder voogden toe. Volgens het gewoonterecht zouden de voogden veelal uit de familie van vader en moeder afkomstig zijn.

Maar Inneke vond slechts in 36% van de gevallen een directe familieband tussen wees en voogd terug. In 64% van de gevallen was dus geen directe verwantschap aangetoond. Dat is ook niet vreemd; er is geen uitgebreid genealogisch onderzoek gedaan en dan is het moeilijk vast te stellen of bijvoorbeeld een aangestelde voogd niet misschien een zwager was of zo.

Maar je kunt ook kijken naar andere dan familiale verbanden tussen wezen en voogden. In 30% van de gevallen bleek bijvoorbeeld een zakelijke link tussen de voogd en de familie. In iets minder gevallen bleek een waarschijnlijke link. En ook geografische factoren speelden mogelijk een rol. In 47% van de gevallen bleken aangestelde voogden zeer dicht bij de weeskinderen te wonen.

Kortom
Een goed voorbeeld van hoe vanuit het onderwijs op georganiseerde wijze dezelfde bron - in dit geval de Antwerpse schepenregisters - door middel van onderzoek door studenten van diverse kanten wordt belicht.

Als goed Nederlands voorbeeld van zo'n programma moest ik denken aan de colleges Sex in the City waarbij groepjes studenten van de Radboud Universiteit in Nijmegen onderzoek doen op het Regionaal Archief Nijmegen, op zoek naar ongehuwde moeders en prostitutie in de 19e eeuw. Ook dat gaf mooie papers als resultaat, zoals mijn Wilma - die een gastcollege verzorgde tijdens dit programma - al liet zien.

Dat vind ik mooi. Zou voor het BHIC ook wel iets zijn.

Gerelateerde verslagen
- Jelle Haemers, Op zoek naar opstandelingen in de Gentse schepenregisters
- Geertrui Van Synghel, De middeleeuwse schepenprotocollen van 's-Hertogenbosch: centrale bron voor de reconstructie van de stedelijke administratie
- Marika Ceunen, De Leuvense schepenbankregisters: een sleutel tot het leven van alledag in Leuven en Brabant

Op zoek naar opstandelingen in de Gentse schepenregisters


De komende blogs doen verslag van het colloquium "Tools, People and History" dat op 25 en 26 april plaatsvond in Leuven. Aanleiding was het project Itinera Nova van het Stadsarchief Leuven waarin het archief van de Leuvense schepenbank digitaal toegankelijk gemaakt wordt.

Jelle Haemers
Prof. Dr. Jelle Haemers heeft onderzoek gedaan in de Gentse schepenregisters, op zoek naar de mens achter de opstandeling. In prenten, vaak uitgegeven door de overwinnaars, worden opstandelingen als bendes bandieten afgeschilderd, in strijdliederen als helden. Eigenlijk wat we vandaag de dag ook nog zien; wat voor de een een vrijheidsstrijder is, is voor de ander een terrorist. Bronnen van latere datum waarin opstandelingen worden beschreven, zeggen dan vooral weer iets over de tijd waarin de bron ontstond, en vrij weinig over de opstandelingen zelf. Maar wie waren zij? Hoe verdienden ze de kost, met wie gingen ze om? En waarom kwamen ze in opstand?

Legendes
Jelle verzamelde uit allerlei bronnen eerst de namen van enkele (soms legendarische) opstandelingen. Zo speelden tijdens een opstand tegen de Bourgondische hertogen in 1449-1453 verschillende personen een voorname rol, zoals Daneel Sersanders, zogezegd een van de leiders. Door het onderzoeken van de Gentse schepenregisters, die een inkijkje geven in vermogen en netwerken, leerde Jelle dat deze Daneel een welgestelde burger van Gent was, een herberg aan de Korenlei (niet zomaar een willekeurige plek in Gent!) uitbaatte en nog andere goederen bezat. Jelle vond ook andere opstandelingen in de registers terug, vaak deel uitmakend van de Gentse middenstand, zoals Lieven Sneevoet, die enkele huizen bezat.

Bepaald geen bandieten dus, maar toegegeven, het gaat hier maar om een handjevol personen, dat vaak tot de 'top' van de opstand behoorde. Over de 'massa' nog geen nieuws.

Netwerken
Interessant zijn ook de netwerken die uit de schepenregisters naar voren komen, die immers bol staan van de zakelijke transacties en overeenkomsten. Zo was Daneel Sersanders gehuwd met de dochter van ene Simon Clochma, een andere opstandeling. En was ene Geerom Borlaat, ook een opstandeling, klerk van zijn herberg. De groep opstandelingen vond elkaar dus niet zozeer in hun gezamenlijke doel tijdens de opstand, maar had elkaar al langs diverse wegen vóór de opstand gevonden; ze trouwden met, waren in dienst van of deden zaken met andere leden van het netwerk, dat dus zowel via familiaire als zakelijke draden met elkaar verweven was.

De opstand zelf kwam volgens Jelle ook niet zozeer voort uit idealistische of vrijheidsmotieven, maar uit (interne) machtsstrijd en behoud of juist verovering van posities. De elite van de stad voelde zich bedreigd door in opkomst zijnde, machtige burgers. En door haar banden met de hertog, groeiden dit soort conflicten van interne strijd uit tot een opstand.

Beperkingen
Prachtig natuurlijk, hoe schepenregisters dit alles bloot kunnen leggen. Maar er zijn ook beperkingen. Zo vinden we de onderste sociale laag van opstandelingen nauwelijks in de protocollen terug. En ook de mentale laag - wat ging er in ieders hoofd om? - is niet terug te vinden.

Maar voor verschillende opstanden blijken nu wel steeds dezelfde conclusies: de opstandelingen kwamen deels voort uit welgestelde milieus, waren verankerd in sociale en economische netwerken, en hadden een duidelijk programma.

Kortom
Mooi hoe deze schepenbankarchieven niet alleen gebruikt worden om te kijken wat de een of andere voorouder aan huizen bezat of wat er in het dorp zoal aan goederen van hand tot hand ging. Maar dat ook breder onderzoek wordt gedaan, gezocht naar trends en nuances ten aanzien van bestaande beelden.

Een nauwe band met - vooral - universiteiten lijkt me noodzakelijk, zodat in samenhang met het archief een goed onderzoeksprogramma (en ontsluitingsbeleid!) kan worden opgesteld.

Gerelateerde verslagen
- Geertrui Van Synghel, De middeleeuwse schepenprotocollen van 's-Hertogenbosch: centrale bron voor de reconstructie van de stedelijke administratie
- Marika Ceunen, De Leuvense schepenbankregisters: een sleutel tot het leven van alledag in Leuven en Brabant
- Richard Millington, How to recruit and keep volunteers for your online community

Afbeelding: na de nederlaag bij de Slag van Gavere in 1453, moesten tweeduizend Gentenaars Filips de Goede om vergiffenis smeken, in hun hemd, op hun knieën en in het Frans (bron: Wikimedia Commons)